Vermogende oma blijkt failliet….

Het was een lieve oma. Ze had nog nooit rood gestaan en alle rekeningen werden op tijd betaald. Met kerst gaf ze alle kleinkinderen een vijfguldenmunt en later een eurobriefje. Ze had een gevulde spaarrekening en een eigen huis. Toch bleek ze na haar overlijden eigenlijk failliet te zijn. Hoe kan dat?

 Haar echtgenoot was overleden in 1988. In het testament van opa stond dat het hele vermogen het eigendom werd van oma. De drie kinderen kregen als erfdeel van hun vader een vordering op oma met rente. Die rente was wel 10 % per jaar. De vordering van elk kind was dus wel vier keer zo groot geworden inclusief rente. De waardestijging van het huis kon niet verhinderen dat de schuld aan de kinderen groter was geworden dan de waarde van het bezit. Oma had geen groot pensioen en had een beetje ingeteerd op het spaargeld.

Het bezit van oma was per saldo negatief (vanwege de grote schuld aan de kinderen). Dit kan zorgen voor een onverwachtse ramp als niet alle erfgenamen de nalatenschap voorzichtig (beneficiair) aanvaarden. Ook als één van de kinderen voor de langstlevende overlijdt, wordt het ingewikkeld.

Je kunt dan als erfgenaam bijvoorbeeld gedwongen worden om een hoge schuld aan je broer of zus te betalen. Per saldo ben je dan armer geworden van oma’s erfenis.

Denk niet te snel dat er niets bijzonders speelt en neem even de tijd om de erfenis met een notaris te bespreken. Deze controleert ook altijd of er misschien toch een (nieuw) testament is gemaakt. Daarna kun je de erfenis vaak wel zelf afwikkelen. Maar laat het eerst even controleren …. bij de notaris.

We denken graag even met u mee!

Slotdocument Monitoring Commissie Corporate Governance Code (Commissie Van Manen)

Op 29 januari 2018 heeft de Monitoring Commissie Corporate Governance Code (“de Commissie”) haar Slotdocument gepubliceerd. Dit vierde en tevens laatste rapport is een document waarin de Commissie terugblikt op de werkzaamheden die zij de afgelopen vier jaar heeft verricht en ingaat op een aantal actuele corporate governance vraagstukken die nadere aandacht zullen vragen in de toekomst, zoals:

  1. de rol van aandeelhouders ten aanzien van lange termijn waardecreatie van de onderneming; en
  2. de resultaten van de monitoring van de naleving van de Corporate Governance Code (“ de Code 2016”).

De Commissie heeft het slotdocument op 29 januari aan Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat overhandigd.

1. De rol van de aandeelhouders

Nu beursondernemingen goed op weg zijn met de Code 2016 acht de Commissie het tijd om nadere aandacht te geven aan de rol en betrokkenheid van aandeelhouders, met name ten aanzien van lange termijn waardecreatie. De Commissie heeft Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) opdracht gegeven dit nader te onderzoeken. Een belangrijke conclusie die in het onderzoek naar voren komt, is dat grote aandeelhouders veelal lange termijn waardecreatie nastreven, maar daarbij drempels kunnen ervaren.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek vraagt de Commissie aandacht voor het belang van actieve betrokkenheid van aandeelhouders. Dit kan door actief te participeren in de algemene vergadering en door in dialoog te treden met de onderneming. Dit vraagt een actieve houding van de aandeelhouder enerzijds en een open houding van de vennootschap anderzijds, aldus de Commissie. De Commissie wil ook het belang benadrukken van het in overeenstemming brengen van het “engagement” beleid dat wordt vormgegeven door corporate governance specialisten en de daadwerkelijke uitvoering van het beleid door vermogensbeheerders. Daarnaast moet volgens de Commissie meer ruimte worden gecreëerd om af te kunnen wijken van de door beleggers gebruikte benchmarks.

Ten aanzien van de ontwikkeling van regels en gedragscodes die zich richten tot aandeelhouders wil de Commissie benadrukken dat deze pas echt toegevoegde waarde zullen hebben wanneer niet-Nederlandse aandeelhouders geadresseerd kunnen worden: “De bepalingen in de Code 2016 gelden in de Nederlandse samenleving als algemeen maatschappelijk aanvaarde normen en gelden uit dien hoofde voor een ieder die als aandeelhouder in een Nederlandse beursonderneming actief is, inclusief internationale investeerders. Het verdient dan ook aanbeveling deze gedragsnormen voor aandeelhouders een plek te geven in de Code.”

Overnames en beschermingsmaatregelen; 250 dagen of 180 dagen responstijd voldoende?

Naar aanleiding van verschillende overnames van Nederlandse beursondernemingen is er een discussie op gang gekomen over vijandige overnames en beschermingsmaatregelen. Beursgenoteerde ondernemingen die op de algemene vergadering te maken krijgen met een fundamentele strategiewijziging krijgen een wettelijke bedenktijd van maximaal 250 dagen, blijkens het regeerakkoord dat op 10 oktober 2017 is gepresenteerd.

Jaap van Manen, voorzitter van de Commissie geeft het volgende aan in een vraaggesprek met het Financieel Dagblad: “De responstijd is bedoeld om het proces ordentelijk te maken en zeker niet bedoeld om een vijandig bod te frustreren. Het bestuur moet de tijd hebben om te kijken of er alternatieven zijn. Of in geval van het verzoek dat een commissaris weg moet, om te kijken of er aan de bezwaren tegemoet kan worden gekomen. De tijd moet het bestuur dus goed besteden en het kan niet op de lauweren gaan rusten. Daarom hebben we in de Code expliciet gekozen voor 180 dagen. Lukt dat niet in 180 dagen, dan lukt dat ook niet in 250 dagen”

Om de responstijd effectief in te vullen roept de Commissie ook in haar slotdocument de partijen op om een “wederzijds dialoog” met elkaar aan te gaan, zodat de additionele of alternatieve beschermingsmaatregelen van Nederlandse beursfondsen in acht worden genomen, waarbij de belangen van de stakeholders goed meegewogen worden. De Commissie wil het in kaart brengen van de gewenste financiële structuur en het sociaal beleid alvorens er nieuwe maatregelen worden genomen. “Om de tango te dansen heb je wel twee partijen nodig.”, aldus Van Manen.

2. Monitoring van de naleving van de Code 2016

De naleving van de Code 2016 is al jaren hoog. De Code 2016 SEO Economisch Onderzoek heeft over het boekjaar 2016 zelfs een gemiddelde naleving van bijna 99% geconstateerd. Naleven van de Code 2016 houdt in dat codebepalingen of één op één worden toegepast of dat bij afwijking van een bepaling wordt uitgelegd waarom wordt afgeweken. Dit is het bekende ‘pas toe of leg uit’-principe (comply or explain). De naleving (comply or explain) is iets hoger dan in het boekjaar 2015, toen het gemiddelde nalevingspercentage op bijna 97% lag. Dit verschil wordt verklaard door een hogere toepassing (comply): 96,7% in 2016 tegenover 94,9% in 2015.

Binnenkort zal naar verwachting een nieuwe Monitoring Commissie Corporate Governance Code worden benoemd door het kabinet. Deze zal de naleving van de herziene Corporate Governance Code uit 2016 gaan volgen.

Een nieuwe stap in de invoering van het UBO-register in Nederland

Het UBO-register stond al eerder in onze blog van 29 juni 2017 centraal. Nu, ruim een half jaar later, is er een volgende stap gezet in het proces van de invoering van het UBO-register. Met een op 31 januari 2018 uitgebracht concept-besluit publiceert de regering een UBO-definitie. Deze definitie maakt duidelijk welke categorieën personen aangemerkt moeten worden als UBO’s (Ultimate Beneficial Owners, oftewel: de uiteindelijk belanghebbenden) van de Nederlandse juridische entiteiten.

UBO-definitie

De categorieën personen die kunnen worden aangemerkt als UBO verschillen per juridische entiteit. Belangrijk om te onthouden is dat ten aanzien van één juridische entiteit meerdere UBO’s kunnen bestaan.

Bij de besloten – en naamloze vennootschappen wordt een natuurlijk persoon die meer dan 25% van de aandelen, de stemrechten of het eigendomsbelang houdt, aangemerkt als een UBO. Het is hierbij niet van belang of het eigendomsbelang in de vennootschap gehouden wordt via tussenkomst van een stichting administratiekantoor. Ook dan zal de natuurlijk persoon UBO blijven.

Voor een stichting administratiekantoor speelt een belang van minstens 25% geen rol. De UBO-definitie bepaalt dat alle begunstigden van een stichting, dus ook van een stichting administratiekantoor, UBO zijn. Dit geldt dus ook voor alle certificaathouders, ongeacht de grootte van het belang. Het is daarom verstandig om goed na te denken over het certificeren van aandelen, want zelfs een minimaal belang is al genoeg om te openbaren.

Verder schrijft de UBO-definitie voor dat bij een stichting alle oprichters, bestuurders, begunstigden en elk natuurlijk persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de stichting uitoefent UBO zijn. Een denkbare situatie is dat de afzonderlijke begunstigden van de stichting niet kunnen worden bepaald. De definitie bepaalt dat in dit geval de groep van personen in wier belang de stichting hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is als UBO aangemerkt wordt.

Het definitieve wetsvoorstel ter invoering van het UBO-register zal vermoedelijk niet lang meer op zich laten wachten. Verwacht wordt dat het voorstel in de eerste helft van 2018 zal worden ingediend. En met de publicatie van de UBO-definitie lijkt deze verwachting geheel realistisch.

Evaluatie Wet Bestuur en Toezicht 2013

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht NV/BV in werking getreden. Tijdens de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer heeft de Minister van Veiligheid en Justitie toegezegd dat de wet inclusief de amendementen na drie jaar zal worden geëvalueerd. Aanleiding voor de evaluatie was met name de beperking van het door één persoon uit te oefenen aantal toezichtfuncties bij NV’s, BV’s en stichtingen, dat bij amendement in de Wet aanpassing regels bestuur en toezicht NV/BV is opgenomen.

Onderhavig evaluatieonderzoek spitst zich met name toe op een drietal onderwerpen: (1) het monistische bestuursmodel, (2) limitering van het aantal toezichtfuncties voor bestuurders en commissarissen/toezichthouders en (3) streefcijfer 30% vrouwen in bestuur en raad van commissarissen.

(1)       evaluatie monistische bestuursmodel

Blijkens de kwantitatieve analyse voorziet het monistische bestuursmodel in maart 2017 bij 443 uiteenlopende vennootschappen in een behoefte, onverdeeld in 58 NV’s en 385 BV’s (4 vennootschappen met structuurregime). 43,3% van deze vennootschappen is na 1 januari 2013 opgericht. Voorts blijkt uit onderzoek dat het monistische bestuursmodel een grote populariteit kent bij beursvennootschappen (26% van het totaal).

Uit het verrichte evaluatieonderzoek blijkt dat het monistische bestuursmodel de bruikbaarheid van de NV en de BV in nationale en internationale ondernemingsverhoudingen heeft vergroot. Hiermee is de doelstelling van de wetgever gerealiseerd. Wel wordt door de onderzoekers gesignaleerd dat de keuze voor een monistisch bestuursmodel in beginsel niet openstaat voor banken en verzekeraars, omdat art. 3:19 lid 1 Wft vereist dat zij een RvC instellen. Volgens de onderzoekers is er geen reden om deze keuze aan banken en verzekeraars te onthouden.

De onderzoekers concluderen dat het monistische bestuursmodel in de praktijk grotendeels werkt zoals beoogd volgens de wetstheorie. Voor wat betreft de samenstelling en het functioneren van het bestuur werkt het monistische bestuursmodel in de praktijk op enkele punten niet zoals in de wetstheorie werd beoogd (bv. ten aanzien van het voorschrift dat de voorzitter een niet-uitvoerend bestuurder moet zijn). Echter zien de onderzoekers geen noodzaak voor de wetgever om ten aanzien van dit punt te voorzien in aanvullende regelgeving.

(2)       limitering van het aantal toezichtfuncties voor bestuurders en commissarissen/toezichthouders

Overeenkomstig deze regeling geldt er een maximumaantal van vijf door één persoon uit te oefenen toezichtfuncties (voorzitterschap telt dubbel). Schending van de limiteringsregeling leidt tot nietigheid van de benoeming; dit heeft echter geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming waaraan deze persoon deelneemt.

De limiteringsregeling berust op een amendement van de Kamerlid Irrgang. Uit de toelichting bij de amendement kan worden opgemaakt dat met de limiteringsregeling drie doeleinden worden beoogd: (1) het waarborgen van de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij grote NV’s, BV’s en commerciële/semipublieke stichtingen, (2) het leveren van een bijdrage aan het doorbreken van het zogenoemde ‘old boys network’ en (3) het voorkomen van belangenverstrengeling.

  1. In het onderzoek naar de grootte-criteria is niet van specifieke problemen gebleken. Doordat in de limiteringsregeling is aangesloten bij bestaande criteria uit het jaarrekeningenrecht, was de uitwerking ervan bekend evenals eventuele knelpunten. De onderzoekers bevelen slechts een geringe wijziging aan, namelijk dat het bepaalde in art. 2:398 BW van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
  2. Onderzoekers zien aanleiding tot een versoepeling van de limiteringsregeling voor wat betref de voorzittersfunctie (wegingsfactor 1,5), zodat er een combinatie van drie mogelijk wordt.
  3. Onderzoekers bevelen aan de huidige regel dat iemand niet tot bestuurder kan worden benoemd als deze persoon al een voorzitterschap van een RvC vervult, te schrappen.

(3)       streefcijfer 30% vrouwen in bestuur en raad van commissarissen

Met deze regeling wordt beoogd een evenwichtige verdeling over vrouwen en mannen te bereiken van de zetels in de besturen en commissarissen van ‘grote’ NV’s en BV’s (‘pas-toe-of-leg-uit’).

De onderzoekers concluderen op basis van onderzoek van de wetsgeschiedenis en de relevante rechtswetenschappelijke literatuur dat de streefcijferregeling op een aantal punten onduidelijk is. De door de onderzoekers gesignaleerde onduidelijkheden bemoeilijken een correcte toepassing van de streefcijferregeling door de vennootschappen die er onder vallen. De onderzoekers achten het wenselijk dat voor de onder de streefcijferregeling vallende vennootschappen wordt verduidelijkt aan welke verplichtingen zij precies moeten voldoen. Zij bevelen aan dat het Ministerie van Veiligheid & Justitie daartoe een website inricht.

De onderzoekers adviseren tevens om het streefcijfer uit te breiden naar grote stichtingen en grote coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Tot slot adviseren de onderzoekers aan om naast de aandeelhoudersvergadering ook de ondernemingsraad een rol te geven bij de handhaving van de streefcijferregeling door invoering van een spreekrecht in de aandeelhoudersvergadering met betrekking tot het m/v-diversiteitsbeleid in de top van ‘grote’ NV’s en BV’s.

Rechtspersoonlijkheid beschermt niet altijd, DGA persoonlijk aansprakelijk

De Hoge Raad heeft in diverse arresten bevestigd dat alleen de vennootschap aansprakelijk kan zijn voor schade die voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis of uit een onrechtmatige daad.

Echter, het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in haar arrest van 14 februari 2017 geoordeeld dat er onder bijzondere omstandigheden ook ruimte is voor persoonlijke aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder of aandeelhouder op grond van de onrechtmatige daad zoals in artikel 6:162 BW.

In het kort komt de zaak op het volgende neer: onderneming A heeft twee dochterondernemingen, te weten onderneming B en onderneming C. De heer X is bestuurder van onderneming A, onderneming A is bestuurder van onderneming B en van onderneming C, daarmee is de heer X dus indirect bestuurder van onderneming B en onderneming C. Bedrijf B wordt ontbonden door middel van een turboliquidatie. De geliquideerde vennootschap had zich hoofdelijk verbonden voor een schuld van haar zustervennootschap. Door de turboliquidatie wordt die hoofdelijke verbondenheid tenietgedaan.

De vraag die hier rijst, is of de heer X, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap, ook persoonlijk aansprakelijk gehouden kan worden voor het frustreren van de verhaalsmogelijkheden van de derde partij. Het hof oordeelt dat dit onder bijzondere omstandigheden kan. Voor deze aansprakelijkheid is het op grond van artikel 2:9 BW van belang dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de benadeling van de derde partij. In de situatie dat de vordering van de schuldeiser van de vennootschap onbetaald en onverhaalbaar blijft, is er grond voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Hiervan is sprake indien de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou kunnen bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

In casu wordt de heer X door het hof persoonlijk aansprakelijk gehouden nu hij als indirect bestuurder betrokken is geweest bij (het besluit tot) turboliquidatie. Hij wist of had redelijkerwijze moeten begrijpen dat de turboliquidatie tot gevolg zou hebben dat onderneming B haar verplichtingen jegens de derde partij niet zou kunnen nakomen.

Deze uitspraak laat zien dat de relatief eenvoudige turboliquidatie grote gevolgen kan hebben voor bestuurders indien er onjuist of onterecht gebruik wordt gemaakt van deze manier van ontbinden. Het is daarom van belang om goed na te gaan of turboliquidatie mogelijk is. Daarnaast wordt er bij eventuele aansprakelijkheid ook gelet op situaties waarin een of meer crediteuren van de vennootschap voorzienbaar worden benadeeld. Het is daarom belangrijk om te controleren of er niet verwijtbaar tekort wordt geschoten in de verplichtingen jegens derden.

Grensoverschrijdende omzetting – vrijheid van vestiging – Uitspraak HvJ EU

Op 25 oktober 2017 heeft het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de uitbreiding van de mogelijkheden tot grensoverschrijdende omzetting van rechtspersonen.

In het arrest van de HvJ EU, waarbij een Poolse vennootschap wordt omgezet naar een Luxemburgse vennootschap, worden de werkelijke activiteiten (ook na omzetting) in Polen uitgevoerd. Echter eist het Poolse recht dat er een liquidatie procedure wordt gestart en dat de vennootschap wordt uitgeschreven uit het Poolse handelsregister na de verplaatsing van haar zetel naar Luxemburg.

In een daaropvolgende procedure stelt de Poolse rechter een aantal prejudiciële vragen aan het HvJ EU. De Poolse rechter gaat er onder meer vanuit dat voor omzetting is vereist dat de vennootschap een duurzame economische band met de lidstaat van ontvangst verkrijgt en de werkelijke zetel verplaatst.

Deze stelling wordt ontkracht door het HvJ EU. Volgens het HvJ EU valt een grensoverschrijdende omzetting van vennootschappen onder het recht op vrijheid van vestiging (art 49 en art 54 VWEU).

Omzetting is het wijzigen van de rechtsvorm van een rechtspersoon in een andere rechtsvorm, zonder dat er sprake is van ontbinding van de oude rechtspersoon of oprichting van een nieuwe rechtspersoon. Om onder de vrijheid van vestiging te vallen, is het volgens het HvJ EU niet noodzakelijk dat de verplaatsing van de statutaire zetel van de vennootschap gepaard gaat met de verplaatsing van de werkelijke zetel / activiteiten.

Hierbij de link naar de uitspraak.

Uitgebreider cliëntonderzoek nodig volgens vierde Europese anti-witwasrichtlijn

Banken, financiële ondernemingen en verschillende andere beroepsgroepen moeten meer aandacht besteden aan de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme. Zo moet cliëntonderzoek uitgebreider. Dat staat in het wetsvoorstel van de ministers Jeroen Dijsselbloem (Financiën) en Stef Blok (Veiligheid en Justitie) ter implementatie van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, die afgelopen vrijdag bij de Tweede Kamer is ingediend.

Het wetsvoorstel zet de afspraken in de vierde anti-witwasrichtlijn om in Nederlandse wetgeving. Hiermee worden de bestaande regels aangevuld. Dit leidt in Nederland hoofdzakelijk tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), waar de eerder genoemde beroepsgroepen onder vallen. De twee belangrijkste verplichtingen in de Wwft blijven bestaan. Het gaat om de verplichting voor financiële ondernemingen om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid.

Cliëntonderzoek
Banken, financiële ondernemingen en verschillende andere beroepsgroepen moeten onder de nieuwe wetgeving hun cliëntonderzoek beter afstemmen op de risico’s van de cliënt, hun producten of diensten en de landen waarin de instelling werkzaam is. Dit kan betekenen dat er meer informatie dient te worden verzameld voordat er diensten aan de cliënt kunnen worden geleverd.

Wetgevingstraject
De wetgever streeft naar implementatie van deze wet in de eerste helft van 2018. Het wetsvoorstel tot implementatie van het UBO-register wordt naar verwachting begin 2018 bij de Tweede Kamer ingediend.

Uitstel “UBO-register” – invoering 4e Europese anti-witwasrichtlijn

De invoering in Nederland van het zogenaamde “UBO-register” is uitgesteld. Het ministerie van Financiën liet op 23 juni 2017 weten dat het wetsvoorstel pas in de tweede helft van 2017 wordt verwacht.

Het UBO-register vloeit voort uit de Europese vierde anti-witwasrichtlijn.  Deze richtlijn is op 26 juni 2017 geïmplementeerd in de lidstaten. Deze deadline voor het invoeren van het UBO-register heeft Nederland dus niet gehaald. Eerder dit jaar, op 31 maart 2017, werd al wel een concept wetsvoorstel ingediend ter consultatie.

Everest Legal houdt de stand van zaken met betrekking tot het UBO-register nauwlettend in gaten en heeft hier eerder over geschreven in dit artikel.

Het UBO-register is een nieuw register waarin informatie omtrent ultimate benificial owners van vennootschappen zal worden opgenomen en openbaar zal worden gemaakt. Mocht u willen weten welke gegevens van u en de betrokken vennootschappen worden gepubliceerd, zoals het er nu naar uitziet? Everest Legal informeert u graag.

Reactie Financiën op Kamervragen over aanpak van belastingontduiking

Aanpak van belastingontduiking heeft prioriteit. Het is belangrijk de overheidsfinanciën op peil te houden en noodzakelijk om voldoende draagvlak voor belastingheffing te houden bij compliante belastingplichtigen. Dit antwoordt (pdf) staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën op vragen van de Tweede Kamer.

Wiebes ervaart de grote betrokkenheid van de fracties in de Tweede Kamer bij dit onderwerp als belangrijke steun. Hetzelfde geldt voor de mini-enquête over dit onderwerp. De aanpak is in de eerste plaats gericht op het verkrijgen van meer informatie door de Belastingdienst.

Afschaffen van de inkeerregeling
Het voorstel tot afschaffen van de inkeerregeling wordt nog dit jaar ter consultatie aangeboden. Over het moment van afschaffing van de inkeerregeling wordt zo spoedig mogelijk gecommuniceerd. Dit zal in ieder geval gebeuren nadat het besluit over de datum van afschaffing is genomen.

Aandelen aan toonder
Op internet is een consultatie gehouden over het wetsontwerp Wet identificatie houders aandelen aan toonder. Dit wetsontwerp maakt de identificatie van alle houders van aandelen aan toonder mogelijk. Op het wetsontwerp is op 10 mei jl. door de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de KNB en de NOvA gereageerd. De consultatie is inmiddels gesloten en de reacties worden geïnventariseerd.

Aanpassen wettelijk fiscaal verschoningsrecht
Wiebes wil in de tweede helft van dit jaar een conceptwetsvoorstel ter consultatie publiceren over de aanpassing van het fiscale verschoningsrecht. Hij overweegt aan te sluiten bij de formulering die is opgenomen in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT). Hij geeft aan dat er nog niets in beton is gegoten en dat over de inhoud en vorm van de aanpassing de meningen van de KNB en de NOvA zullen worden ingewonnen. De staatssecretaris is van mening dat informatie die geen verband houdt met de eigenlijke werkzaamheden van de notaris of advocaat door de Belastingdienst bij de notaris of advocaat moet kunnen worden opgevraagd omdat deze informatie niet onder het fiscale verschoningsrecht valt.

Doet u mij maar een stichting! (over slim schenken aan goede doelen)

In een uitgebreid artikel doet de NRC verslag van de manier waarop vermogende families goede doelen steunen. Zij doen dit dikwijls door middel van een stichting. Stel je voor dat u ook structureel geeft aan goede doelen, zou dat dan ook slimmer kunnen?

Het geven via een stichting (of vereniging) kent twee stappen. Eerst geeft u het aan de stichting en vervolgens geeft de stichting het weg. Als de stichting een zogenaamde ANBI (Algemeen Nut Beogende Instelling) is dan zijn de giften aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.

Het oprichten van een stichting kost geld en het vinden van goede bestuurders is soms lastig. Het is de bedoeling dat er kundige en objectieve bestuurders in de stichting actief zijn die geen familie van elkaar zijn. Ook moet een ANBI elk jaar de jaarstukken publiceren op het internet. U moet er rekening mee houden dat uw giften zichtbaar worden voor degene die de jaarslagen van de stichting opzoekt op het internet. Vindt u een eigen stichting te duur of te bewerkelijk dan moet u niet aan een stichting beginnen. Wel kunt u dan aankloppen bij een bestaande stichting om bijvoorbeeld een fonds op naam op te richten. U maakt dan gebruik van de faciliteiten van een professionele ANBI om uw giften te structureren.

De maximale giftenaftrek krijgt u als u schenkt aan een ANBI door middel van een periodieke schenking. Dit kan natuurlijk ook als u zonder tussenkomst van een andere stichting geeft aan goede doelen. Wie minimaal vijf jaar lang dezelfde gift schenkt, kan de gift onbeperkt aftrekken van het inkomen. Dit levert geen (of minder) voordeel op als u niet alle giften doet via een periodieke schenking. Het voordeel is het grootst als u meer dan 10% van uw inkomen weggeeft, de gewone aftrek is namelijk beperkt tot 10 % van uw inkomen.

Heeft u de smaak te pakken en wilt u alles weggeven wat u hebt? Dat is mooi maar misschien niet zo verstandig. Als u kinderen heeft dan hebben zij recht op een deel van uw vermogen en kunnen zij grote schenkingen ook na uw overlijden nog ongedaan maken. Ook moet u voorkomen dat u (of uw partner) zelf niet voldoende vermogen overhoudt om van te leven of eventueel goede hulp en zorg te betalen.

Het opnemen van een goed doel in uw testament kan er trouwens voor zorgen dat de langstlevende veel minder erfbelasting hoeft te betalen. Zo snijdt het mes aan twee kanten.

Als notaris denken we graag mee over de manier waarop u slim kunt geven en leven.

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/05/04/rijke-families-gaven-in-2015-een-kwart-miljard-weg-a1557172